Sins ik er een paar jaar geleden voor mede-tuinder Ada op werd gewezen kweek ik jaarlijks muismeloentjes (Melothria scabra). Dit bijzondere vruchtje wordt ook wel Mexicaanse komkommer of — in het Engels — cucamelon of Mexican sour gherkin genoemd. De vruchtjes lijken op piepkleine watermeloentjes, maar smaken fris en knapperig, als komkommer met een licht citroenachtig zuurtje.
Ik koop mijn zaden op de zaterdagmarkt in Rotterdam. Zaai en voor in kleine voor in kleine potjes. Pas in mei verhuizen ze in een een ruime pot naar buiten. Muismeloentjes starten langzaam en zijn heel gevoelig voor kou. Maar als ze eenmaal groeien is er geen houden meer aan. Het is een enthousiaste klimmer, dus een rekje, gaas of een paar stokken zijn geen overbodige luxe. Ook wie weinig ruimte heeft, kan hem daardoor prima in een pot kweken.
Het leukste moment is natuurlijk de oogst. De vruchtjes hangen soms goed verstopt tussen de blaadjes. Pluk ze jong, wanneer ze ongeveer twee à drie centimeter groot en nog stevig zijn. Dan zijn ze het knapperigst en hebben ze nog geen grove zaden. Je kunt ze zo uit het vuistje eten, door een salade mengen of inmaken als kleine augurkjes.
Wie eenmaal muismeloenen heeft gekweekt, hoeft niet ieder jaar nieuwe zaden te kopen. Laat daarvoor enkele mooie vruchtjes juist wél helemaal rijp worden. Ze mogen zelfs wat zacht worden. Snijd ze open en haal de zaden met het vruchtvlees eruit. De zaadjes hebben, net als tomatenzaden, een glibberig kiemremmend laagje. Doe ze daarom met een beetje water in een glas en laat ze enkele dagen fermenteren. Spoel ze daarna goed schoon in een fijne zeef en laat ze volledig drogen. Bewaar de droge zaden op een koele, donkere plek in een papieren zakje met de naam en het oogstjaar erop.
Zo begon mijn muismeloen met een tip van Ads en een zakje zaden van de Rotterdamse markt. Nu zorgt één plant voor vele volgende generaties. Klein van stuk, maar beslist een grote trots!